Het ontstaan van oliemolens
Oliemolens hebben een rijke geschiedenis die teruggaat tot de oudheid, lang voordat er windmolens bestonden. De ontwikkeling ervan kan in verschillende fasen worden onderscheiden:
- Vroege, handmatige methoden (duizenden jaren geleden)
- Het begin
Voordat er molens waren, werd olie al gewonnen uit zaden en vruchten (zoals olijven) met behulp van primitieve methoden. Denk aan het pletten van zaden tussen stenen, of het stampen met houten palen. De kracht hiervoor kwam van mens of dier. - Olijfpersen in de oudheid
Met name de olijventeelt in het Middellandse Zeegebied leidde tot de ontwikkeling van steeds geavanceerdere persen. Eerst waren dit eenvoudige hefboompersen, later kwamen er schroefpersen die meer druk konden uitoefenen. Deze werden aangedreven door mensen of door trekdieren zoals ezels of paarden.
- Gebruik van waterkracht (Middeleeuwen, vanaf de 12e eeuw in Europa)
De oudste watermolen die tot nu toe is gevonden in de buurt van Rome is gedateerd rond 325 vChr. Dit was een graanmolen. De meest geliefde producten in het oude Rome waren olijfolie en wijn. Het is niet verwonderlijk dat waterkracht ook werd gebruikt om olijfolie te persen, en dat oliemolens daarmee al veel eerder en rond het begin van de jaartelling al bestonden. We zijn dit nog aan het uitzoeken.
- De opkomst van watermolens
Toen de technologie van watermolens zich verspreidde (reeds bekend in de Romeinse tijd, maar wijdverspreid in Europa vanaf de vroege Middeleeuwen), werden deze ook ingezet voor het winnen van olie. Een waterrad dreef een mechanisme aan dat zaden kon pletten en vervolgens kon persen. - Vroegste vermeldingen in Europa
De oudste vermelding van een oliewatermolen in Europa gaat terug tot de twaalfde eeuw. Een bekend voorbeeld is de watermolen te Kasteelbrakel, eigendom van de Sint-Waldetrudisabdij te Bergen. Deze molens voorzagen vaak in een lokale behoefte.
- Gebruik van windkracht (vanaf de 14e eeuw in Europa, dominant vanaf de 17e eeuw in Nederland)
- Ontwikkeling van windoliemolens
De techniek van de windmolen, zoals die in Europa onafhankelijk van het Oosten ontstond (de standerdmolen), werd later ook toegepast voor het slaan van olie. De oudste oliewindmolens, van het type staakmolen, vinden we terug in de veertiende eeuw. Zo wordt in 1360 een dergelijke molen in Sint-Martens-Latem (België) vernoemd. - Doorbraak in Nederland (17e en 18e eeuw)
De Noordelijke Nederlanden, en met name de Zaanstreek, werden een wereldcentrum voor de olie-industrie. Inwijkelingen uit de Zuidelijke Nederlanden, waar de kennis al verder ontwikkeld was, introduceerden de techniek hier.
- De eerste oliemolen in de Zaanstreek verscheen in 1601.
- Rond 1605 bouwde Jan Adriaenszoon Leeghwater een achtkante bovenkruier als windoliemolen met stampers, wat een belangrijke stap voorwaarts was.
- Het aantal oliemolens nam snel toe. In 1630 stonden er al 69 oliemolens in Holland, waarvan veel in de Zaanstreek. Rond 1750 waren er alleen al in de Zaanstreek zo’n 600 windmolens in bedrijf, waarvan een vijfde deel oliemolens.
- Hoe ze werkten
Traditionele oliemolens (zowel water- als windmolens) gebruikten een proces met drie stappen:
- Pletten
Oliehoudende zaden (zoals raapzaad, koolzaad, lijnzaad) werden eerst geplet door zware, ronddraaiende stenen, vaak een zogenaamde ‘kollergang’. - Verwarmen (optioneel)
Het geplette zaad werd soms licht verwarmd om de olie makkelijker te laten vrijkomen. - Persen/Stampen
Het pletsel werd vervolgens in zakken (bulen) gedaan en in een pers geplaatst. Grote, zware balken (stampers) vielen met kracht op de bulen, aangedreven door het waterrad of de wieken van de windmolen. Dit perste de olie uit de zaden. De stampers werden door nokken op een wentelas omhoog getild en lieten vervolgens met hun eigen gewicht naar beneden vallen.


























































